Er zijn verschillende soorten molens. De Molen Hermien is een Bovenkruier wil zeggen dat men met een molen te maken heeft waarvan het bovenste gedeelte draaibaar is. Dit draaien noemt men kruien. Daardoor kan het gevlucht zodanig op de wind gezet worden dat ze de maximale energie uit de wind kunnen halen.

De molen bestaat uit een romp of toren, dit is meestal een houten achtkant zoals bij “Hermien” of een
ronde gemetselde toren, deze toren is meestal conisch van vorm met los daarop liggend een houten
kap. In de kap ligt de molenas waardoor twee roeden zijn gestoken. Dit zijn, bij “Hermien”, uit staal vervaardigde
balken. Vroeger waren de roeden evenals de molenas van hout gemaakt. De vier enden van de
roeden vormen samen, met het hierdoor gestoken hekwerk, het gevlucht of wiekenkruis.
Op de hekkens kunnen de zeilen gelegd worden om de wind te kunnen vangen.
Ook zal men rond de molen een looppad aantreffen waar de molenaar kan lopen om de molen te
kunnen bedienen. Aan de buitenkant van dit pad staan rondom de molen een twaalftal palen, deze
noemt men kruipalen en worden gebruikt als steunpunt bij het kruien om daarna, in combinatie met
de bezetketting, de staart vast te zetten.
Kruien gebeurt door het opwinden van de kruiketting op de monnik doormiddel van draaien aan het
kruiwiel die aan de staart bevestigt is.
Bij een stellingmolen wordt de stelling gebruikt als steunpunt waar de krui- en bezetketting aan vastgezet
worden. Of een bovenkruier bediend wordt vanaf de grond, een stelling of vanaf een belt, zoals
bij “Hermien”, maakt in principe niet veel verschil.
Mooi voorbeeld hiervan is de huidige korenmolen in Vragender, die tot in de jaren vijftig dienst deed
als grondzeiler aan het “Stedemer Maar” en later opgebouwd is op een vierkante onderbouw met een
stelling.