Begrippenlijst A-Z - Beltkorenmolen Hermien
Een beltkorenmolen is een specifiek type windmolen dat op een kunstmatige aarde heuvel (de belt) staat. Hieronder vindt u een uitgebreide, alfabetische begrippenlijst (A-Z) met de belangrijkste technische termen en onderdelen van dit type molen.
Achterkeuvel: De houten betimmering aan de achterzijde van de molenkap.
Askop: Het gietijzeren uiteinde van de bovenas waar de roeden doorheen worden gestoken.
Baard: Het rijk versierde houten bord aan de voorzijde van de kap, direct onder de askop.
Balken: Zware houten dwarsbalken die de verschillende zolders (etages) in de molen dragen.
Bandvang: Een gebogen houten of ijzeren onderdeel van het vangsysteem.
Belt: De kunstmatige heuvel van aarde rondom de molen die dient als windkering en platform.
Beltdeuren: De grote inrijdeuren onderin de belt waardoor karren naar binnen konden rijden.
Billen: Het scherpen of herprofileren van de groeven (rillen) in de molenstenen met een bilhamer.
Bovenas: De zware, schuinliggende as in de kap die de draaiende beweging van de wieken overbrengt.
Bovenwiel: Het grote tandwiel op de bovenas dat de vang (rem) bevat en de koningsspil aandrijft.
Breking: Het eerste stadium van het maalproces waarbij de graankorrel openbreekt.
Buil: Een speciaal type zeef- of sorteermachine voor het meel.
Buitendoor kruien: Het vanaf de belt draaien van de kap met behulp van de staart en de kruihaspel.
Burgermeester: Centrale eikenhouten balk in de kap van een traditionele bovenkruier windmolen die de beide voeghouten met elkaar verbindt.
Cilinderzeef: Een mechanische, draaiende zeef die gebruikt wordt om bloem van zemelen te scheiden.
Constructie: Het dragende skelet van de molen, bij een beltmolen vaak gemaakt van steen of een houten achtkant.
Draagbalk: De zware balk die het gewicht van de koningsspil of de molenstenen ondersteunt.
Drijfriem: Leren of stoffen banden die gebruikt worden om hulpmachines (zoals mengketels) aan te drijven.
Engels kruiwerk: Een modern kranssysteem met ijzeren rollers waarop de kap soepel ronddraait.
Ezelskop: Het houten verbindingsstuk aan het uiteinde van de vangbalk.
Fijnmalen: Het malen van het graan tot zeer fijn meel tijdens de laatste gang tussen de stenen.
Funderingsbalk: De diepgelegen balken onder de molen die verzakking in de belt voorkomen.
Gaande werk: De verzamelnaam voor alle bewegende en draaiende onderdelen binnenin de molen.
Gaffelwiel: Een wiel met gaffels (vorken) waarlangs een touw loopt om mechanisch te kruien.
Grote spil: Een alternatieve benaming voor de centrale verticale hoofdas (koningsspil).
Hals: Het voorste, dragende deel van de bovenas dat rust op het steunlager (de steen).
Heuvelpoort: De toegangstunnel door de aarden belt naar de onderste zolder van de molen.
Inrijpoort: De brede ingang op grondniveau zodat boeren met paard en wagen onder de belt konden lossen.
Inworp: De opening bovenin de kaar waar het graan in wordt gestort.
Jakobsladder: Een verticale transportband met bakjes om graan of meel naar hogere zolders te verplaatsen.
Juk: De houten constructie die de lagers van een zware as ondersteunt.
Kaar: De trechtervormige houten bak boven de molenstenen waar het te malen graan in zit.
Kaarschuif: De instelbare opening onderaan de kaar die de graantoevoer reguleert.
Kandelaar: Een specifiek type klein rondsel of tandwiel met open spijlen.
Kap: Het houten, draaibare dak van de molen waar de wieken en de bovenas in rusten.
Kettingwiel: Een wiel aangedreven door een ketting, vaak gebruikt bij het hijsmechanisme (luien).
Knecht: Een houten hefboom of mechanisme dat helpt bij het bedienen van de vang (rem).
Koningsspil: De centrale, verticale hoofdas die de beweging van de bovenas naar de steenzolders brengt.
Krui-as: De as waarlangs de ketting of het touw loopt tijdens het draaien van de kap.
Kruien: Het draaien van de kap met de wieken loodrecht op de windrichting.
Kruirad: onderaan de staart waarmee de molen in de wind wordt gezet.
Kruiring: De houten of ijzeren ring bovenop de romp waar de kap op rust en over draait.
Kuip: De ronde houten rand die om de molenstenen heen zit om het meel op te vangen.
Lager: Het steunpunt (vaak van steen, brons of pokhout) waarin een draaiende as rust.
Ligger: De onderste, vastliggende molensteen die zelf niet draait.
Loper: De bovenste, draaiende molensteen die het graan tegen de legger vermalt.
Luien: Het mechanisch omhoog hijsen van zakken graan met behulp van windkracht.
Luizolder: De hoogste zolder in de molen romp waar het hijsmechanisme (de luiwind) zich bevindt.
Meelbak: De opvangbak onder de stenen waar het vers gemaalde meel in stroomt.
Meelgoot: De schuine houten koker die het meel van de steenkuip naar de meelbak geleidt.
Meelzolder: De etage direct onder de steenzolder waar het meel in zakken wordt opgevangen.
Molenbelt: De specifieke benaming voor de kunstmatige heuvel waar de molen op gebouwd is.
Naloop: Het kortstondig doordraaien van de molenstenen nadat de vang is toegepast.
Onderrad: Het grote tandwiel onderaan de koningsspil dat de steenpalen aandrijft.
Onderwiel: Een synoniem voor het spoorwiel dat de lagere mechanieken in beweging zet.
Overwerker: Het tandwiel dat de beweging haaks omzet van horizontaal naar verticaal.
Pal: Een ijzeren constructie die voorkomt dat het gevaarte achteruit kan draaien.
Pen: Het achterste, smalle uiteinde van de bovenas dat in het penlager rust.
Pensteen: Het harde steen- of metalen lager waar de achterkant van de bovenas in draait.
Plaat: De metalen of houten beschermplaat op kwetsbare slijtplekken.
Ratel: Het tikkende geluid dat gemaakt wordt door de schuddebak boven het kropgat.
Regulateur: Zorgt ervoor dat het meel constant fijn gemalen wordt, zelfs als de windsnelheid verandert. De regulateur gebruikt centrifugaalkracht om de ruimte tussen de twee maalstenen aan te passen.
Rijn: Het ijzeren kruis dat in de loper (bovensteen) is ingelaten en de steen balanceert en draait.
Roeden: De twee grote metalen of houten balken die door de askop steken en de basis van de wieken vormen.
Romp: Het stenen of houten lichaam van de molen.
Rondsel: Een klein, cilindrisch tandwiel met spijlen (staven) in plaats van tanden.
Schuddebak: Het bewegende houten bakje onder de kaar dat het graan gelijkmatig in het steengat schudt.
Spoorwiel: Het grote tandwiel op de koningsspil dat de afzonderlijke steenrondsels aandrijft.
Staart: De lange houten constructie aan de achterkant van de kap waarmee de molen gekruid wordt.
Steenkrans: De houten of ijzeren ondersteuning waarop de loodzware molenstenen rusten.
Steenkuip: De houten omlijsting of kuip waarin de molenstenen liggen ingesloten.
Steenspil: De verticale metalen as die vanaf het ronsel de loper (steen) aandrijft.
Steenzolder: De etage waar de molenstenen liggen en het daadwerkelijke malen plaatsvindt.
Stelling: Niet aanwezig bij een beltmolen (dit onderscheidt de beltmolen van een stellingmolen; de belt vervangt de stelling).
Stormpen: Een zware ijzeren pin die de kap bij zware storm op zijn plek houdt.
Toevoer: De constante stroom van graan vanuit de kaar naar de stenen.
Travee: Een vak of segment in de houten constructie van een achtkantige molen.
Tremel: Een synoniem voor de schuddebak.
Tussenwiel: Een extra tandwiel om de draairichting aan te passen of vertraging te realiseren.
Uitlijning: Het kaarsrecht en perfect in balans brengen van de assen en molenstenen.
Vang: De rem van de molen, bestaande uit houten blokken die om het bovenwiel klemmen.
Vangbalk: De lange, zware hefboom die buiten de kap steekt waarmee de rem wordt bediend.
Vangtouw: Het touw dat vanaf de belt bediend wordt om de vangbalk omhoog of omlaag te bewegen.
Velg: De buitenste houten rand van een tandwiel waarin de kammen (tanden) zijn vastgezet.
Vlucht: Dit is de totale diameter (lengte) van de twee tegenover elkaar liggende wieken samen.
Vloer: De houten plankenlaag van een specifieke zolder.
Voeghouten: Twee zware, evenwijdige houten balken in de kap van een traditionele bovenkruier. Samen met de korte spruit en de lange spruit vormen zij het dragende frame van de molenkap
Wand: De binnenzijde of buitenzijde van de stenen molenromp.
Wervel: Een houten draaiknop of sluiting om luiken of deuren te borgen.
Wieken: De vier grote armen buiten de molen die de wind opvangen om energie op te wekken.
Wiekenkruis: Het geheel van de askop en de twee kruislingse roeden.
Windpeluw: De zware, eikenhouten balk aan de voorzijde van de kap waar de bovenas op rust.
Windschoor: De schuine steunbalk in de kapconstructie.
IJzerbalk: De balk die het bovenlager van de koningsspil ondersteunt.
Zandsteen: Een veelgebruikt materiaal voor een specifiek type molensteen (bijvoorbeeld Duitse Kamperstenen).
Zeil: Het canvas doek dat over de wieken wordt gespannen om meer wind te vangen.
Zolder: De algemene term voor een verdieping binnenin de molen (zoals meel-, steen- of luizolder).
Zwaard: Een zware houten plank of versteviging aan de staartconstructie.
Hoe dit samenwerkt
De energie legt in een korenmolen altijd dezelfde route af om uiteindelijk graan te kunnen malen:
- De Wind & Wieken (Kapzolder): De wind brengt de wieken in beweging. Deze zitten vast aan de bovenas in de draaibare molenkap.
- De Haakse Omzetting: Op deze bovenas zit het enorme bovenwiel gemonteerd. De houten tanden (kammen) van dit wiel grijpen haaks in op een kleiner wiel (de bonkelaar). Hierdoor verandert de horizontale draaibeweging van de wieken in een verticale draaibeweging.
- De Hoofdas (Luizolder): De bonkelaar drijft de koningsspil aan. Dit is de centrale, massieve verticale paal die kaarsrecht door het midden van de molen naar beneden loopt. Op de luizolder drijft deze spil ook het hijsmechanisme (de lui) aan om zware zakken graan omhoog te takelen.
- Het Maalwerk (Steenzolder): Iets lager op de koningsspil zit het grote spoorwiel. Dit wiel drijft via een kleiner tandwiel (het ronsel) de steenspil aan. Deze spil laat de bovenste molensteen (de loper) met hoge snelheid ronddraaien over de onderste, vaste molensteen (de ligger).
- De Opvang (Meelzolder): Het graan wordt tussen deze twee stenen vermalen tot meel. Door de draaiende beweging wordt het meel naar de buitenkant geslingerd en valt het via de meelgoot naar de meelzolder daaronder, waar de molenaar het rechtstreeks opvangt in meelzakken.

